Selecteer een pagina

‘Rrrouawww,’ klinkt het vanuit de gang. Een kreet die Diesel, het alfamannetje van onze drie katten, enkel maakt als hij iets heel stouts heeft gedaan óf ergens heel erg trots op is. Vaak is het een combinatie dus ik dacht direct: stront aan de knikker.

Met mijn suffe hoofd stap ik uit bed, trek een joggingbroek aan en open mijn slaapkamerdeur. Twee katten zitten braaf voor de deur te wachten en Diesel zit bij de deurmat. Zonder bril of lenzen in loop ik op de automatische piloot richting de keuken. Eten voor ze klaar zetten zodra ik wakker ben is een strikt ritueel waar ik niet van af mag wijken, omdat ze anders in opstand komen. Ik loop voorbij de deurmat, waar Diesel nog steeds raar op ligt en hoor hem een beetje grommen. Ik zie iets liggen dat op een zwart propje lijkt, maar besteedt er verder geen aandacht aan.

Als de katten anderhalve minuut later lekker zitten te smikkelen, denk ik weer aan het zwarte propje op de deurmat. Ik ga nog eens kijken en concludeer dat het een beetje potgrond is wat Diesel (of andere kat) uit een plantenpot heeft gehaald. Dit gebeurt namelijk wel vaker: in het heetst van de strijd wil er wel eens een plant omvallen of een bijzettafeltje ondersteboven de kamer door vliegen, verder zijn het hele brave katten hoor 😉

Waarom ik het deed weet ik nu nog steeds niet. Gewapend met een stukje keukenrol pak ik het propje op en bekijk de inhoud van dichtbij. ‘Ieeeehhhh,’ met een harde gil gooi ik het ‘propje’ weer neer. In het stuk keukenpapier zat namelijk geen propje potgrond, zoals ik verwachtte, maar een dode vleermuis. Ik keek recht in het smoeltje van het beestje en geloof me, dat kopje met die tandjes zag er angstaanjagend uit! Ik spring op en ren naar de keuken. Na een paar minuten voel ik me weer rustig worden. Inmiddels is Turbo (de kleinste) ook een kijkje komen nemen. Diesel heeft zijn plek als bewaker weer ingenomen en gromt naar Turbo als ze met haar pootje het keukenpapier met enge inhoud wil bekijken.

Trillend op mijn benen aanschouw ik vanuit de keuken het tafereel. ‘Hoe moet ik in godsnaam dat ding opruimen,’ vraag ik mezelf af. Tientallen scenario’s passeren mijn gedachten. Ik app J om hem over deze horror gebeurtenis te vertellen en om te vragen wat ik moet doen. J lacht me virtueel uiteraard hard uit. Het liefst wil ik dat hij nu naar huis komt om voor mij die vleermuis op te ruimen. Helaas gaat dat niet en ik kan moeilijk de hele dag dat dode beest op mijn deurmat laten liggen.

Uiteindelijk pak ik de volle vuilniszak uit de vuilnisbak en zet die open naast de deurmat. Ik pak nog een flink stuk keukenpapier en verman mezelf. ‘Kom op,’ zeg ik hardop tegen mezelf. Die katten vinden het ook niet eng en de vleermuis is dood, wat kan er nou gebeuren?

Voor ik me bedenk pak ik snel de prop met vleesmuis op en gooi het in de vuilniszak. Zo snel als ik kan knoop ik de zak dicht en zet hem buiten mijn voordeur in de portiek. Ik voel mijn hart in mijn keel bonken als ik deur weer dichtgooi.

‘Die zak mag J vanavond lekker in de container gooien,’ bedenk ik me terwijl er een rilling over mijn rug trekt. Diesel kijkt me vanaf de deurmat een beetje beduusd aan. ‘Gekke kat,’ zeg ik tegen hem, ‘geen enge beesten meer vangen hoor, daar houdt het baasje niet van’. Hij snapt er natuurlijk niks van en besluit nog wat brokjes te gaan eten in de keuken. Ik moet ook nog ontbijten, maar van de schrik heb ik nog even geen honger.

N.B. Twee weken later hoorde ik vanuit mijn slaapkamer Diesel weer zo gek mauwen. En ja hoor, weer een vleermuis op de deurmat. Hoe hij het voor elkaar krijgt om die beesten te vangen is me een raadsel, we wonen namelijk 2 hoog met een inpandig balkon waar een net voor is gespannen zodat de katten niet naar beneden kunnen vallen (wat al eens is gebeurt). Dit keer zaten er ook bloedvegen op de vloer in de gang. Arme vleermuis én arme ik die het weer op kon ruimen..