Selecteer een pagina

Primeur!

Vandaag heb ik een primeur voor jullie! Ik krijg namelijk de laatste tijd steeds vaker mails en berichtjes van mensen die nieuwsgierig zijn hoe het met me gaat en dat ze mijn blogposts missen :). Het werd dus wel weer eens tijd om iets van me te laten horen!

Het gaat goed met mij. De ene dag beter dan de andere, maar over het algemeen heb ik rust in mijn donder gevonden en dat is fijn.

Ik ben begonnen met het schrijven van mijn verhaal. Al langer zeiden mensen dat ik een boek moest schrijven over wat ik allemaal heb meegemaakt en hoe ik daar mee om ga/ ben gegaan. Of ik het boek ooit uitbreng en in welke vorm, weet ik nog niet. Voor nu werkt het al erg therapeutisch om mijn verhaal op te schrijven en de heftige afgelopen jaren te verwerken.

Hierbij deel ik alvast het eerste hoofdstuk. Ben erg benieuwd wat je er van vindt. Je kunt hieronder een reactie achterlaten of me een e-mail sturen.

Het is trouwens nog maar de concept versie hoor! Dus wellicht staat het nog vol spelling en grammaticale fouten!

Hoofdstuk 1

‘Mevrouw Niemantsverdriet?’ Alle hoofden in de overvolle wachtkamer draaien naar de deur die door een lange, donkerharige neurologe in witte doktersjas met een ruk wordt open gezwaaid en mijn naam noemt. Het spreekuur is al ruim vijftig minuten uitgelopen en de sfeer in de warme, volle wachtkamer, is onrustig. Langzaam sta ik op uit mijn stoel en alle andere wachtenden die net nog hoopvol naar de deur keken, draaien zich nu om naar mij. Ik loop richting de uitgestoken hand van dr. Schoonhoven.

‘Ben je alleen?’ vraagt ze verbaasd als ze merkt dat niemand anders in de wachtkamer opstaat. Ik maak er een grapje van door schrikachtig om me heen te kijken en knipoog vervolgens naar haar.

‘Ja’, zeg ik met een glimlach. ‘De rest moest gewoon werken’. Met een bezorgde blik kijkt ze me aan en ineens besef ik dat deze uitslag, in tegenstelling tot alle voorgaande uitslagen wel eens niet zo goed zou kunnen zijn.

Zwijgend loop ik achter haar aan het kantoortje binnen. Ze gaat achter het grote bureau zitten dat midden in het kleine, rechthoekige kantoor staat en gebaart mij plaats te nemen aan de andere kant. Dit moet waarschijnlijk de vijfde keer zijn dat ik hier nu zit. De voorgaande keren zat dr. Schoonhoven onrustig op haar stoel te draaien en gaf ze me het gevoel dat ik haar kostbare tijd aan het verdoen was. De laatste keer dat ik hier was, nu ongeveer een maand geleden, had ze het vermoeden ge-uit dat mijn klachten wellicht tussen mijn oren zitten. Een psychische oorzaak in plaats van lichamelijk. Ik weet niet meer precies hoe ik hierop reageerde, maar ik werd boos, waardoor ze voorstelde om nog één laatste onderzoek te laten doen: een MRI-scan van mijn rug.

Met een zucht opent ze het mapje met mijn dossier dat voor haar op het bureau ligt. ‘Ik ben bang dat ik slecht nieuws heb’. Ik kijk haar afwachtend aan, maar zeg niks. Dit had ik namelijk niet verwacht. Toen ik twee weken geleden de MRI-scan onderging werd ik na een half uur uit de buis getrokken met de mededeling dat de Radioloog iets had gezien. Er werd door de assistent een infuus aangelegd met contrastvloeistof zodat ze meer konden zien op de foto’s. Terwijl hij dit deed, zei hij dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Als ze iets zouden vinden zou ik meteen de volgende dag worden gebeld, zo niet dan zou ik de uitslag op de reeds ingeplande afspraak krijgen. Zorgen maakte ik me op dat moment allerminst en dacht alleen maar: zie je wel, er is dus toch wat aan de hand, het zit helemaal niet tussen mijn oren.

Toen ik de dag daarna niet werd gebeld was ik toch opgelucht en ging er vanuit dat deze uitslag precies hetzelfde zou zijn als die van de vijf vorige onderzoeken: niks aan de hand. Al bijna een half jaar proberen ze erachter te komen waar het constante slapende gevoel in mijn linker oksel vandaan komt. En de onverklaarbare steken die telkens door mijn linker arm schieten.

‘Maar ze zouden me bellen als het erg was’, zeg ik met een hese stem. Dr. Schoonhoven kijkt me vragend aan, rommelt wat in de papieren voor haar en met lichte paniek in haar stem zegt ze, ‘daar is dan iets niet helemaal goed gegaan’. Ze kijkt me weer aan, ‘nu snap ik ook dat je alleen naar deze afspraak bent gekomen’.  Ze leunt naar voren legt haar hand op een van mijn armen die voor me gekruist op het bureau liggen. ‘Ik vind het heel erg voor je, maar we hebben een tumor gevonden in je rug.’

Verward door alle informatie die het afgelopen half uur op me is afgevuurd, loop ik door een lege gang naar de hoofdingang van het ziekenhuis. Het lijkt alsof mijn arm nog meer pijn doet en mijn oksel harder ‘slaapt’ dan anders. Wat ga ik nu doen? Een stukje verderop zie ik wat bankjes staan. Voor mijn gevoel sleep ik mezelf er heen en laat me zakken op de dichtstbijzijnde. Ik staar wat voor me uit en probeer terug te halen wat er net tegen me is gezegd. De tumor van vier bij vijf centimeter groot, die hoog in mijn rug tussen twee wervels gevaarlijk dicht tegen mijn ruggenmerg aan groeit, kan niet in dit ziekenhuis worden geopereerd. Simpelweg omdat ze daar de expertise niet voor hebben. Sterker nog, een tumor van dit formaat op deze plek is volgens de neurologe nog nooit in Nederland voorgekomen. Lekker dan, dat overkomt mij weer, denk ik sarcastisch.

‘Ga ik hieraan dood?’ vroeg ik nog. ‘Daar gaan we niet van uit, maar we weten niet met zekerheid te zeggen of de tumor goed- of kwaadaardig is. Uit de bloeduitslagen kunnen we niks opmaken. De tumor zit echter ingekapseld, dus we weten pas meer na de operatie,’ was haar antwoord.

Volgens dr. Schoonhoven moet ik er verder rekening mee houden dat ik aan de operatie een groot litteken op mijn borst ga overhouden. Een soort ritssluiting noemde ze het. Het is waarschijnlijk dat ze tijdens de operatie mijn borstkas open breken, mijn hart en longen aan de kant zullen leggen om zo de tumor te kunnen verwijderen. Een zeer moeilijke en risicovolle operatie. Of ik dat heel erg zou vinden, dat van dat litteken, vroeg ze me. Natuurlijk vind ik dat niet erg, wat een stomme vraag dacht ik nog. Ik was al lang blij dat ze zei dat de tumor operabel is en dat ik er niet dood aan zal gaan.

Dat het wel foute boel is, liet ze me op de foto’s van de MRI-scan zien. Het is heel apart om je skelet en hersenen op een beeldscherm te zien. Onwerkelijk zelfs. Op de foto’s was de tumor duidelijk zichtbaar; ik schrok zelfs een beetje van de grootte ervan.

‘Ik zal wat printjes voor je maken zodat je het thuis kan laten zien,’ zei de neurologe, terwijl ze opstond om de blaadjes uit de pruttelende printer achter mij te pakken.

‘Bedankt,’ zei ik toen ik de prints van haar aanpakte.
‘Geen dank en heel veel sterkte.’

Ik stond ook op uit mijn stoel en gaf haar een hand ter afscheid. Mijn gezicht sprak waarschijnlijk boekdelen, want ze keek me met een blik vol medelijden na terwijl ik diep in gedachten verzonken haar kantoor verliet.

Naast me op het bankje in de ziekenhuisgang komt een ouder echtpaar zitten. De mevrouw glimlacht vriendelijk als ze haar schoudertasje tussen ons in zet. Mijn wereld is zojuist ingestort en toch knik ik vriendelijk terug naar de vrouw en zoek dan naar de telefoon in mijn jaszak. Na een tijdje wezenloos naar het schermpje te hebben gestaard vraagt de mevrouw naast me of het wel gaat. Eerlijk gezegd weet ik op dit moment niet precies hoe ik me voel. Opgelucht dat ze eindelijk iets hebben gevonden? Verdrietig, omdat het heel erg blijkt te zijn? Bang?

Ineens heb ik heel erg de behoefte om mijn moeder te bellen. Maar zodra ze opneemt met ‘Hoi meisje, hoe gaat het?’ weet ik ineens niet meer wat ik moet zeggen. Omdat ik weet dat als ik de reden van mijn telefoontje vertel, haar wereld en die van mijn vader ook in zal storten.