Selecteer een pagina

We lopen door een smal straatje met aan weerskanten restaurants. Het is eind oktober, maar de terrassen voor de restaurants zitten bomvol. Het lijkt wel of we in Portugal of Italië lopen, al is het hier in Den Bosch niet zo warm meer als daar. We hebben honger en zijn op zoek naar een lunchplek.

Voor het laatste restaurant staan we stil. Op het terras zitten hippe dertigers met flessen witte wijn op tafel en borden vol lekker uitziend eten.
       ‘Zullen we hier binnen kijken?’ vraag ik aan J. Hij gaat me voor en opent een gek schuifdeurtje. Een deken van lawaai en hectiek vliegt over ons heen. Het is donker en druk binnen en een serveerster geeft aan dat het beneden helemaal vol is, maar dat boven nog wel plek is.

Ik voel meteen dat dit geen fijn restaurant is voor mij, maar ik heb ook honger dus volg ik J op het nauwe trapje naar boven. Eenmaal boven lijkt het een stuk aangenamer.  Maar toen we een hoekje omgingen was daar een kleine, donkere ruimte met veel te veel tafels. Er was niemand en maakte het tot een troosteloze bedoeling. J kijkt me aan en ziet aan me dat ik hier niet blij van word.
‘Zullen we dan maar ergens anders heen gaan?’ vraagt hij.

Wat is het toch een schat! Snel nemen we het nauwe trapje naar beneden en gaan richting de uitgang. De serveerster roept nog dat er inmiddels plaats is vrijgekomen beneden, maar wij zijn al bijna buiten. Als we het terras af zijn en de hoek omlopen snuif ik de frisse lucht op en omarm de rust die in deze straat heerst. Ik voel me ook schuldig, want ik weet dat J zich veel minder van die drukte aantrekt als ik én ook honger heeft.

Een beetje doelloos lopen we rond. Proberen het nog bij een ander lunchcafé, wat veel aangenamer is, maar geen plek meer voor ons heeft en lopen uiteindelijk een oubollig uitziende zaak binnen. Er is nog één tafeltje vrij en dankbaar gaan we zitten. We bestellen een club sandwich, een boerentosti en een paprika soepje en een half uur laten zitten we heerlijk te eten.

        ‘Sorry dat ik soms zo moeilijk ben met dit soort dingen,’ zeg ik tegen J. ‘Ik vond het echt geen fijne tent en als we daar waren gebleven dan had ik geen energie meer gehad om zo nog de stad in te gaan.’
        ‘Dat weet ik toch,’ is zijn reactie en met een knipoog zegt hij, ‘soms ben je gewoon een beetje een mietje’. Waarop ik hem natuurlijk een stomp tegen z’n arm geef 😉