Selecteer een pagina

Maandagochtend 10:00u. Ik heb een kop koffie gezet en ga ermee op mijn bank zitten. In stilte geniet ik van het zonnetje dat tegen de gevel van het gebouw aan de overkant schijnt. Op een paar fluitende vogeltjes en het zachte monotone geruis van een ventilatiesysteem van het Hulstkampgebouw na, hoor ik verder niks. Het is stil op het Noordereiland. Dit vind ik het fijnste moment van de dag. Mijn buik wordt gemasseerd door de scherpe nageltjes van Dodo, die alle tijd neemt om het beste plekje op mijn schoot te vinden. De bomen wuiven zachtjes met hun takken op het lichte briesje dat door de straat waait. Ik woon midden in een wereldstad, maar zo voelt het niet. De serene sfeer doet me meer aan het platteland denken en ik realiseer me dat ik een bofkont ben.

Terwijl ik met kleine slokjes mijn hete, sterke koffie op drink overdenk ik afgelopen weekend. De prachtige, roze zonsondergang die ik met mijn voeten in het lichtblauwe zeewater mocht aanschouwen was absoluut het hoogtepunt. Die vijftien minuten voelde als vakantie in een ver tropisch oord, maar was gewoon op de plek waar ik ben opgegroeid. De zaterdagochtend was ook fijn. Koffie en taart met mijn twee Zeeuwse vriendinnen, waar ik al sinds de brugklas bevriend mee ben. De meiden waarmee ik jong ben geweest en volwassen mee ben geworden. Ik zie ze veel te weinig en heb ter plekke besloten dat ik hen veel vaker wil zien.

W. had haar 7 maanden oude zoontje meegenomen. Ik mocht hem ook even vasthouden zodat zijn mama rustig haar taartje op kon eten, voordat het aangevallen werd door de vele wespen die rond onze tafel zwermden. Stoer en stevig stond hij op mijn schoot, ik ondersteunde hem enkel onder zijn armpjes. We moeten lachen om het feit dat twintig (!) jaar geleden de eerste Flippo’s in de zakken chips te vinden waren en dat we dat nog weten als de dag van gisteren. Als tieners waren we altijd bang om ouder te worden, de gedachte om ooit dertig te worden beangstigde ons. Maar daar op het terrasje, de dertig reeds gepasseerd, maakte ons dat helemaal niet meer uit.

Ik denk aan de autorit naar Breda, zaterdagmiddag. Waarbij ik op blote voeten reed en keihard meezong met de popliedjes op de radio. Ik was op weg naar mijn vriend, die de avond daarvoor met veel bier en vrienden de opening van het nieuwe voetbalseizoen had gevierd. De gedachten aan de lach op zijn gezicht toen ik zijn appartement binnenstapte en de kus die hij me als begroeting gaf, zorgen voor een warm gevoel in mijn lijf.

De koffie is inmiddels op en buiten hoor ik weer wat meer geluiden. Kinderen die lachend voorbij rennen op weg naar het speelveldje aan het eind van de straat en een bestelbusje dat belanden wordt. De zon is achter de wolken verdwenen en Dodo staat langzaam op van mijn schoot, rekt zich uit en kijkt vervolgens naar me met zijn ‘wanneer gaan we eten?’ blik. Ik sta op en rek mezelf ook even goed uit. Drie paar kattenogen staren me nu verwachtingsvol aan. ‘Kom jongens, we gaan eten’ roep ik vrolijk en mijn drie katten rennen voor me uit richting de keuken. ‘En ik moet ook maar eens wat gaan doen,’ mompel ik zachtjes tegen mezelf. De week is weer begonnen!