Selecteer een pagina

Het is half twaalf ‘s avonds als de film is afgelopen. De immense shoppingmall, waar de bioscoop zich op de hoogste etage ervan bevindt, is donker en verlaten op dit tijdsstip. Met zo’n tachtig mensen, voornamelijk Thai, staan we te wachten om met één van de drie liften naar beneden gebracht te worden.

Buiten valt een deken van warmte op ons neer. In het donker heerst een hele andere sfeer dan overdag in deze drukke straat midden in Bangkok. We slaan af en lopen richting ons hotel in Sukhumvit. Voor ons loopt een stelletje. De lange ‘witte’ man van eind zestig houdt de hand vast van een kleine Thaise vrouw. Ik schat dat ze jonger is dan ik. Ze heeft een wit pakje aan waar bij elke stap een stukje van haar bil vanonder het korte broekspijpje uit piept. J kijkt me aan en aan zijn blik zie ik dat we er hetzelfde van vinden.

We vervolgen onze weg en lopen langs de plek waar op de heenweg een bedelende moeder met haar slapende baby op de stoep zat. Naast de slapende baby ligt nu ook een hondje en zit er een jong meisje van een jaar of zeven bij. Het meisje is druk in de weer om de baby en haarzelf verkoeling te bieden met behulp van een waaier. De moeder zien we een eindje verderop laveloos onder een trap liggen.
‘Doorlopen, Syl,’ spreek ik mezelf in gedachte streng toe: ‘je kunt niks voor die arme kindjes doen’.

Na een tijdje lopen we door een smal stuk met aan weerszijden kraampjes. Het is overdekt en er hangt een grimmige sfeer. De kraamhouders zijn druk bezig met het uitstallen van hun waar, veelal seks gerelateerde producten, als ineens de elektriciteit uitvalt. Snel pak ik J’s hand want ik voel me hier totaal niet op mijn gemak.
‘Please, please turn back on,’ hoor ik één van de markthouders smeken. Hij maakt er, met zijn handen tegen elkaar gevouwen, een soort bid beweging bij. Gelukkig houden de kraampjes een eindje verder op en slaan we rechtsaf een straat in met barretjes en restaurants.

In deze drukkere straat verbazen we ons over de grote hoeveelheid ‘she-male’s’ en andere ‘gezelschapsdames’. Groepjes van drie tot vijf strak gerokte en hooggehakte dames bezetten elke paar meter de stoep. Het zijn stuk voor stuk knappe vrouwen en als we hen passeren kijken ze bijna allemaal op om J een zwoele blik toe te werpen. Het lijkt hun niks uit te maken dat ik, als zijn vriendin zijnde, naast hem loop. Af en toe zien we een dame triomfantelijk aan de arm van een Westerse man voorbij lopen.

Ik vind het maar ranzig allemaal. Ik heb medelijden en tegelijkertijd heb ik walging voor het feit dat ze er niets voor niks staan. Zonder vraag geen aanbod.

Alsof het allemaal nog niet raar genoeg was, zien we een man voor ons wijzen naar een muurtje waar twee grote ratten op zitten. Met snelle pas proberen we terug naar het hotel te lopen, wat niet makkelijk is door de slechte staat van het wegdek dat vol gaten en hobbels zit. Uiteindelijk slaan we de hoek om naar de straat van ons hotel. Op een paar tuktuk’s en een scooter na is de straat leeg en stil. Wat een verademing om nu hier te lopen.
‘Ik ben blij dat we er bijna zijn,’ zeg ik tegen J, die bevestigend knikt.

Bij het hotel aangekomen moeten we lachen om deze bizarre avondwandeling waarbij we een hele andere kant van het bloedhete Bangkok hebben leren kennen. We lopen door de lege lobby als achter ons de hoteldeuren weer open gaan. Wachtend voor de lift kijk ik nieuwsgierig opzij om te zien wie na ons binnen is gekomen. In een flits schiet een oudere Westerse man voorbij met in zijn kielzog een, je raadt het al, hooggehakte Thaise dame.
‘It’s only one stairs,’ hoor ik de man nog net zeggen voordat we de lift instappen.

‘Gadver!’ zeg ik misschien net iets te hard tegen J als de liftdeuren sluiten en we de vrouw horen giechelen.
‘Ik hoop maar dat we hem morgen niet bij het ontbijt tegenkomen,’ knipoogt J naar me. Ik hoop het ook niet bedenk ik me als we naar boven zoeven.