Selecteer een pagina

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

Toen ik een jaar of elf oud was lag ik vaak op mijn zolderkamer in bed te staren naar de kleine lichtbundel die vanuit de overloop door de kier van de deur in een scherpe punt op de grijze vloerbedekking scheen. Ik stelde me dan voor dat ik in het ziekenhuis lag. Dat er elk moment een zuster binnen kon lopen die mijn temperatuur op kwam nemen en daarna liefdevol instopte. Als ze was geweest kon ik rustig in slaap vallen. Ik was tenslotte in goede handen.

In mijn fantasie van het ziekenhuis was iedereen aardig en zorgzaam. Boven mijn bed zouden beterschap-kaarten en tekeningen van klasgenootjes hangen en op het nachtkastje zou een gigantische fruitmand staan die ik helemaal in mijn eentje leeg mocht eten. Mijn ouders zouden elke dag op bezoek komen en cadeautjes meebrengen en zelfs mijn klasgenootje Jonas, op wie ik stilletjes verliefd was, zou me komen opzoeken in het ziekenhuis. Uiteraard zou hij een heliumballon meebrengen die ik vervolgens voor altijd zou bewaren.

Het leek me heerlijk om in het ziekenhuis te liggen. Alle aandacht te krijgen en verder niks te hoeven, niet naar school, geen huiswerk maken of naar turntraining. Ik zou heel de dag in mijn pyjama televisie mogen kijken op het toestel dat boven mijn ziekenhuisbed zou hangen. Iedereen zou aardig voor me zijn.

***

‘Mevrouw Niemantsverdriet?’
Alle hoofden in de overvolle wachtkamer draaien naar de deur die zojuist door een lange, donkerharige neurologe in witte doktersjas is open gezwaaid. Het spreekuur loopt al ruim 50 minuten uit en de sfeer in de warme ruimte is onrustig. Langzaam sta ik op en voel de ogen van de rest in mijn rug prikken terwijl ik richting de uitgestoken hand van dokter Schoonhoven loop.
‘Ben je alleen?’ Ze kijkt me streng aan over haar bril met metalen montuur, doelend op het feit dat ik de enige ben die is opgestaan. Haar toon geeft een me onheilspellend gevoel, ik verplaats mijn gewicht wat ongemakkelijk van de ene voet naar de andere. Om mezelf een houding te geven strijk ik een niet bestaande vouw in mijn shirt recht.
‘Ja, de rest moest gewoon werken,’ antwoord ik tenslotte, mezelf dwingend haar aan te kijken. Vol ongeloof trekt ze een wenkbrauw op en gebaard me haar te volgen. Zwijgend loop ik achter haar aan het kantoor binnen. Er is niemand meegekomen naar deze afspraak omdat ik dat simpelweg niet nodig vond. Uit alle onderzoeken die ik inmiddels heb ondergaan is niks noemenswaardige gekomen, in ieder geval niet iets wat mijn klachten zouden kunnen verklaren. Plus, ik was niet gebeld, wat ze na de MRI-scan beloofd hadden wel te doen als het foute boel zou zijn. Nu voel ik me echter niet meer zo op mijn gemak: vandaag is ze anders.

Het kleine kantoor is niet wat je van een arts zou verwachten. Het is donker hol met donker blauwe afgetrapte vloerbedekking met in het midden een groot bureau bezaaid met stapels papier, boeken, doktersattributen en een logge PC monitor. Dokter Schoonhoven gaat op de plek achter de computer zitten en gebaart mij ook plaats te nemen. Achter haar prijkt een uitpuilende boekenkast vol medische boeken en mappen. Terwijl ik mijn jas uittrek bekijk ik de diploma’s en foto’s die rechts van me aan de muur hangen. Mijn blik blijft hangen op een groepsfoto. Dokter Schoonhoven staat er stralend op, omringd door een aantal collega’s gekleed in witte doktersjassen en een stethoscoop om hun nek. Al die keren dat ik in dit kantoor ben geweest kon er nog geen glimlachje vanaf. Dan zat ze met een strakke mond onrustig op haar stoel te draaien alsof ik haar kostbare tijd aan het verdoen was.

De laatste keer dat ik hier was, nu ongeveer een maand geleden, had ze het vermoeden ge-uit dat mijn klachten wellicht tussen mijn oren zouden zitten: een psychische oorzaak in plaats van een lichamelijke. Als reactie viel ik tegen haar uit, schreeuwde dat ik bijna niks meer kon omdat de pijn al maanden niet te harden was. Dat ik helemaal klaar was met dat irritante tintelende gevoel in mijn linker oksel en dat ik er steeds meer uit ging zien als een zombie door de vermoeidheid en de vele kilo’s die ik op onverklaarbare wijze was verloren. Zoiets verzin je toch niet? Blijkbaar was dokter Schoonhoven onder de indruk van mijn tirade want ineens was er toch nog een laatste onderzoek mogelijk: een MRI-scan van mijn rug.

Met een zucht opent ze het mapje met mijn dossier dat voor haar op het bureau ligt. Ze buigt voorover zodat ze me beter aan kan kijken en steekt dan van wal.
‘Ik ben bang dat ik slecht nieuws voor je heb. We hebben een tumor in je rug gevonden.’
Het duurt even voor het tot me doordringt wat ze zojuist gezegd heeft. Verslagen laat ik me achterover in mijn stoel vallen. Dus toch.. ik wist dat er iets mis was, maar een tumor had ik niet aan zien komen.
‘Maar ze zouden me bellen als het erg was,’ weet ik er met samengeknepen keel uit te persen.
‘O,’ zichtbaar aangedaan rommelt dokter Schoonhoven in de papieren voor haar, ‘daar is dan iets niet helemaal goed gegaan.’ Haar gebruikelijke strenge uitstraling is nergens meer te bekennen.
‘Nu begrijp ik waarom je alleen naar deze afspraak bent gekomen,’ ze leunt naar voren en legt haar hand op mijn arm die op de tafel ligt, ‘ik vind het zo erg voor je.’

Tranen om een telefooncel

Tranen om een telefooncel

Tranen in de trein

Gisteren zat ik in de trein richting Utrecht een podcast te luisteren van This American Life. Deze week heet hij: One Last Thing Before I Go. Het eerste deel gaat over Japan. Een paar jaar geleden zijn door de Tsunami veel mensen hun geliefden en familie kwijtgeraakt.

Een jaar daarvoor had een Japanse man zijn neef verloren, het was zijn beste vriend. In de Japanse cultuur is het niet gewoon om over je gevoelens te praten. Velen weten ook niet goed hoe ze met hun emoties om moeten gaan. De man mistte zijn neef en hun gesprekken. Toen hij op een dag een retro telefooncel vond, kocht hij deze en zetten hij hem achterin zijn tuin. De telefoon in de telefooncel werkte niet meer, maar dat gaf niet. Hij wilde gewoon een plek hebben waar hij kon praten met zijn neef, zijn verdriet de vrije loop kon laten gaan.

De telefooncel staat op heuveltje dat uitkijkt over de oceaan. Het waait er altijd, dus als hij praat door de telefoon worden zijn gesprekken meegenomen door de wind. Zodoende gaf hij het de naam: de Wind Telefoon.

In Japan is het niet gek om contact te onderhouden met de overledenen. Zij geloven dat het lijntje tussen hun wereld (die van de overledenen) en die van ons erg dun is. Veel mensen hebben altaartjes in hun huis staan met foto’s van de overledenen en soms ook een belletje dat ze af te toe rinkelen om ze te laten weten dat ze nog steeds onderdeel van de familie zijn.

Ik vind dit mooi, gewoon het idee. In ons huis hebben we plank met foto’s van familie en vrienden, waar ook twee ‘gekke’ foto’s van mijn overleden opa’s op staan. Met gek bedoel ik breed uit lachend. De één heft samen met mijn oma een glas champagne (bij de bruiloft van mijn nicht) en de ander heeft een feesthoedje op en een toeter in z’n mond op de verjaardag van mijn moeder. Soms sta ik even stil voor die foto’s en dan zeg ik ze gedag en dan denk ik altijd: Wat hebben jullie al veel gemist. Al die feestjes, bruiloften en achterkleinkinderen die geboren zijn. Ze hadden het geweldig gevonden als ze er nog waren geweest. Maar over het algemeen hebben ze geen rol meer in mijn leven. Daar ben ik misschien  ook wel te nuchter voor.

Maar terug naar het verhaal van de Wind Telefoon. Na de Tsunami werd al snel bekent dat die man de telefoon gebruikte om in contact te blijven met de overledenen. Meer mensen kwamen naar zijn tuin om de telefoon te gebruiken. In de afgelopen vijf jaar zijn duizenden mensen vanuit heel Japan naar zijn tuin afgereisd om ‘te bellen’ met hun vermiste- of overleden familieleden.

Een Japans televisiestation heeft gevraagd of ze de mensen die de telefoon gebruikten, van een afstandje mochten filmen en een microfoon in de telefooncel mochten plaatsen voor een documentaire. Een aantal van deze mensen uit de documentaire wordt vertaald in deze podcast.

Tranen stroomden over mijn wangen bij het luisteren van de telefoongesprekken.

Een man die zijn vrouw en zoon verloor, een vrouw met drie kinderen waarvan hun vader vermist is, een man die zijn ouders kwijtraakte.. Stuk voor stuk simpele gesprekken: hoe het met ze gaat. Dat de overledenen zich geen zorgen over hen hoeven te maken. Over de goede cijfers die op school werden gehaald. Mensen die het telefoonnummer van hun weggevaagden huizen draaide omdat dat de laatste plek was waar ze hun geliefde hadden gezien en hoopte ze daar te kunnen ‘bereiken’. De eenzijdige gesprekken die ze voerden met de wind…

Juist de simpelheid en de emotie die erbij komt kijken maakte dat ik het niet droog hield. Best gênant om in de trein te huilen, gelukkig was het geen hysterisch gejank en heeft verder niemand het gemerkt (denk ik). En anders maakt het me niks uit, het was gewoon erg mooi.

ik raad iedereen aan om deze aflevering (en eigenlijk alle afleveringen) van deze podcast te luisteren. Het tweede deel is namelijk ook de moeite waard. Dat gaat over twee broers van 85 en 80 jaar die elkaar al meer dan 20 jaar niet gezien hadden om een niet noemenswaardig akkefietje, verwachtingen en miscommunicatie van beide kanten. Wie weet schrijf ik hier ook nog wel eens over.

Luister hier de aflevering van This American Life #597 One Last Thing Before I Go (uitgezonden op 23-09-2016). Veel luister plezier 🙂

Fietsje, een goede daad en een uitnodiging

Fietsje, een goede daad en een uitnodiging

Onderweg naar huis ontmoet ik een meisje met fietsje dat mijn hulp vraagt. Nietsvermoedend sluit ik een vriendschap en krijg ik een onverwachte uitnodiging.

Met wat boodschappen onder m’n arm loop ik naar huis. Op de speelplaats waar ik langsloop gillen de kindjes van plezier. Er is een watergevecht aan de gang en een regenboog aan waterballonnen vliegt door de lucht. Glimlachend vervolg ik mijn weg als ik ineens een klein meisje met haar fietsje op een leeg parkeervak zie staan.

‘Hoi,’ zegt ze vrolijk. Ik groet haar terug en wil weer doorlopen als ze vraagt of ik haar wil helpen. Ietwat verbaasd kijk ik haar aan. Zo’n klein meisje, ik schat haar maximaal een jaar of vijf, die aan mij als wildvreemde voorbijganger vraagt of ik haar wil helpen.

Ze vertelt me dat ze graag op de speelplaats wil fietsen, maar dat haar fietsje te zwaar is om op de stoep en het trapje te tillen. Die kleine krullenbol weet precies wat ze wil, mooi vind ik dat. Dus zet ik mijn boodschappen op de stoep en til het fietsje voor haar op de speelplaats.
‘Dankjewel!’ Roept ze blij als ze wegfietst en zwaait me na. Ik zwaai terug en pak mijn boodschappen weer op.

Zo, mijn goede daad van vandaag weer gedaan, denk ik bij mezelf als ik mijn weg vervolg.

Na drie stappen te hebben gezet komt het meisje weer naast me fietsen.
‘Kom je vrijdag ook?’ vraagt ze.
‘Wat is er vrijdag dan?’ vraag ik haar op mijn beurt.
‘Ow, gewoon spelen,’ zegt ze alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ze stopt en draait zich half om.
‘Daar woon ik,’ wijst ze naar één van de portieken aan de overkant, ‘en jij?’. Ik wijs haar aan waar ik woon.

‘Oke, tot vrijdag,’ zegt ze vervolgens kordaat, ‘en neem je speelgoed mee he!’ Ze roept nog doei en fietst hard weg richting de andere spelende kindjes.

Met een big smile loop ik verder, ik ben gewoon uitgenodigd voor een speeldate. Natuurlijk ga ik vrijdag niet met mijn speelgoed bij haar spelen, ik heb niet eens speelgoed en we schelen zo’n 27 jaar, maar het is wel leuk dat ze me heeft gevraagd. 🙂

 

Pijn is soms fijn

Pijn is soms fijn

Ik mag geen pijn meer hebben..

 

‘Tja, dan ben ik bang dat we niet meer zo heel veel opties hebben’. Mijn pijndokter (Anesthesist) strijkt met zijn hand door zijn grijze haar. Hij zit tegenover me aan een smal bureautje in een kleine ongezellige behandelkamer van het EMC. Aan de muren hangen vergeelde illustraties van lichamen met zenuwbanen. Achter hem kan ik door het raam over de Westzeedijk het verkeer voorbij zien razen. Het is een grijze dag met veel wind.

De pijndokter gaat wat achterover in zijn bureaustoel zitten, zucht en komt weer naar voren om wat in te typen op zijn ouderwetse, beigekleurige, jaren 90 computer. Ik kijk ondertussen naar de hoge bomen aan de overkant in het Euromastpark die ruw van links naar rechts bewegen.

‘We kunnen nog wel een cocktailtje maken van,’ gaat hij verder waarbij hij een aantal onuitspreekbare namen van medicatie opnoemt, ‘maar ik verwacht dat je daar ook heftig op zult reageren, als je al niet meer functioneert na 6 druppeltjes Tramadol’. Ik hoor een vleugje spot in zijn stem.

Inmiddels ben ik al twee jaar medicatie aan het testen. Elke drie maanden zit ik in deze stoel te luisteren naar een arts van wie ik geen pijn meer mag hebben. En elke keer krijg ik weer een A4tje vol recepten mee die ik voor doosjes pillen, druppels en verstuivers in mag wisselen bij mijn apotheek. Het beste middel of combinatie van medicijnen hebben we nog niet gevonden.
‘Ik vind de pijn minder erg dan dat wazige en verdoofde gevoel als ik die medicijnen slik’. Ik hoor zelf de aarzeling in mijn stem. Dit is natuurlijk niet wat hij wil horen.

‘Dat hoor ik niet vaak,’ is zijn antwoord. ‘De meeste mensen willen kosten wat het kost geen pijn voelen. En dat snap ik, want hoe moet je anders normaal functioneren?’ Hij kijkt me onderzoekend aan.

‘Tja,’ zeg ik nu op mijn beurt, ‘wat is normaal in mijn situatie? Soms is die pijn juist wel fijn, dan weet ik dat ik het weer wat rustiger aan moet doen. Door die pillen voel ik me constant suf en moe en heb ik juist het gevoel dat ik niet normaal functioneer.’ Ik verzit wat op het houten stoeltje (wat verschrikkelijk vervelend zit) en ga verder, ‘misschien moet ik maar gaan accepteren dat die pijn er nu eenmaal bij hoort.’

De pijndokter knijpt zijn ogen tot spleetjes en begint dan te hard te lachen. ‘Hahaha,’ buldert hij, ‘als iedereen dat gewoon maar zou kunnen accepteren dan had ik hier niet hoeven te zitten’. Grinnikend en met zijn hoofd schuddend tikt hij weer wat in op zijn computer en een paar tellen later komt de printer naast het bureautje pruttelend tot leven. Hij pakt het papier op, krabbelt er snel een handtekening op en overhandigd me het vervolgens. ‘Laten we eerst deze combi nog maar even proberen hè,’ zegt hij op een toon die zowel als meelevend, als spottend door zou kunnen gaan.

Ik pak het vel papier van hem aan en glimlach er bij. Wetende dat ik deze medicatie waarschijnlijk niet eens meer op ga halen bij de apotheek.

 

*Dit verhaal is van ongeveer een jaar geleden. Op dit moment slik ik nog maar 1 soort pijnstiller en de laagste dosering die mogelijk is. Een tijdje terug heb ik dit ook proberen af te bouwen omdat ik geen synthetische middelen meer in mijn lichaam wilde. Helaas bleek ik het toch nodig te hebben omdat ik zonder deze specifieke pijnstiller echt te veel pijn had. Nu luister ik heel goed naar mijn lichaam en kan ik de verschillende pijngradaties beter inschatten. Soms kan ik dus heel veel en andere dagen heel erg weinig. Maar zo is het nu eenmaal. Liever dit, dan wazig en verdoofd door het leven 🙂

Zwaarleven

Zwaarleven

Het schemert al een beetje als we fris gedoucht op de lounge stoelen op ons balkon gaan zitten. Het is onze tweede avond op dit praktisch onbewoonde eiland, maar het voelt alsof we hier al maanden zitten. Achter ons beginnen de eerste krekels aan hun serenades en af en toe zingt een vogel hoog in de bomen een paar tonen mee.

Ik kijk uit op de azuurblauwe zee die rustig in kleine golfjes tegen de rotsen op klotst. Dit geluid en dat van de ritselende bladeren van de palm die voor ons huisje staat te wuiven, is rustgevend en ik geniet van dit moment.

Het wordt steeds donkerder en het witte zandstrandje even verderop is al bijna niet meer te zien.
‘Wat is het hier toch prachtig’, mompel ik in mezelf als J naar binnen loopt om zich met Deet te wapenen tegen de hongerige muggen. Ik vraag me af of we niet voor altijd verpest zijn door deze vakantie. Zo mooi als deze eilanden zijn, dat kan toch niet meer overtroffen worden?

De hele dag liggen we maar een beetje te lanterfanten. Zwemmen we in het heerlijk warme, heldere water. Lezen we een boekje en drinken we aan het eind van de middag een lekker koud Chang biertje. Vaak raken we door dat biertje al een klein beetje aangeschoten. De ijskoude douche die we daarna nemen om al het zout en zonnebrandcréme van ons af te spoelen, zorgt ervoor dat we weer volledig nuchter worden en ons kunnen gaan storten op het moeilijkste gedeelte van de dag: kiezen welk heerlijke gerecht uit de Thaise keuken we vanavond weer gaan eten.

Wat hebben we het toch goed hier. Ik hoop dat de komende dagen lekker langzaam gaan want ik waan me in een paradijs. In de verte op zee klinkt de ronkende motor van een longtailboot, die we door de schemerte al niet meer kunnen zien.
‘Ik heb denk ik zin in een Masamannetje,’ (Thaise curry) zeg ik tegen J, die inmiddels weer naast me is komen zitten.
‘Hmm lekker,’ is zijn reactie, ‘laten we gaan.’

En daar gaan we weer, met de zaklamp-functie van onze telefoon op de grond gericht, over het inmiddels donkere strand op weg naar ons eten.

Hashtag #zwaarleven grappen we tegen elkaar. Wat hebben we het fijn!